Sneeuwvlaggen: het spoor dat een top achter zich aan trekt
De witte streep die op een heldere dag zijwaarts van een hoge top af loopt, is zichtbaar geworden wind, en klimmers letten er net zo nauwkeurig op als op de weersverwachting.
Ook op een wolkeloze dag kan een hoge top een lange witte streep achter zich aan trekken, zijwaarts uitgerekt en vervagend in het blauw. Meestal is het sneeuw: wind van meer dan 60 of 70 kilometer per uur rukt losse korrels van de loefhellingen, draagt ze over de graat, en aan de beschutte kant stromen ze honderden meters, soms kilometers uit. De vlag wijst altijd met de wind mee, dus één foto legt de windrichting vast op een hoogte die geen weerstation haalt.
Een verwante vorm is de vlagwolk, die helemaal geen sneeuw nodig heeft. Als lucht langs een steile, spitse top stroomt, ontstaat aan de lijzijde een werveling die de vochtige lucht daar optilt; die koelt af en condenseert, en een wolk blijft aan één flank hangen terwijl de wind er dwars doorheen waait. Op de Everest wordt de vlag gelezen als een meetinstrument: een lange, platte streep betekent straalstroomwind op de top, en expedities wachten op de dagen waarop hij korter wordt of verdwijnt.
Hem fotograferen draait vooral om licht en sluitertijd. In tegenlicht van een lage zon gloeit de vlag aan de randen en wordt de rots erachter donkerder; een sluitertijd van 1/500 s houdt de korrel van de stuivende sneeuw vast, terwijl een lange belichting vanaf statief hem gladstrijkt tot een zachte sluier. Met de top dicht bij een rand van het beeld en de vlag die de open lucht in loopt, blijft het grootste deel van het kader schoon blauw, wat een bureaublad vol iconen meer ruimte geeft dan een piek pal in het midden.