Het weer dat een waterval maakt
Wie aan de voet van een grote waterval staat, bevindt zich in een klein eigen klimaat, met eigen wind, regen en regenboog.
Een waterval valt niet alleen. Het vallende water sleurt lucht met zich mee, en onderaan kan die lucht nergens heen dan naar buiten, zodat er zelfs op een windstille dag een gestage wind van de poel af waait. Het water zelf valt onderweg uiteen in druppels en nog eens bij het neerkomen, en de fijnste blijven nooit liggen; ze hangen als een wolk in de lucht waar je in loopt en vochtig weer uitkomt.
Die wolk houdt de grond eromheen het hele jaar bijna verzadigd, en daarom zijn de rotsen naast grote watervallen bedekt met mos en varens terwijl de helling honderd meter verderop droog is. Onder de Victoriawatervallen voedt de nevel een strook regenwoud in een streek die verder savanne is, en in de Kihansikloof in Tanzania leefde ooit een klein padje uitsluitend in de nevelzone van één waterval. Met de zon in je rug buigen dezelfde druppels het licht tot een lage regenboog die lijkt te beginnen op de oever vlakbij, en in heldere nachten met volle maan tonen enkele watervallen een zwakke witte maneboog.
Foto's van watervallen tonen meestal de waterkolom, maar de foto's die het natst aanvoelen bevatten ook dit weer: nevel die de verre rotswand verzacht, druppels op de rand van het kader, bladeren die door de luchtstroom allemaal dezelfde kant op wijzen. Op een scherm doet die nevel nuttig werk: hij verlaagt het contrast van alles behalve de vallende witte lijn, zodat het oog een rustpunt heeft en de rest van het beeld een zacht grijsgroen blijft.
In deze collectie