's Nachts houdt het oog op kleur te lezen
Het rood gaat eerst, het blauw houdt vol, en de foto bewaart tinten die het uur aan niemand heeft uitgedeeld.
Kleur gaat niet in één keer uit. De kegeltjes, de cellen die golflengten sorteren, hebben licht nodig en beginnen onder ongeveer een honderdste candela per vierkante meter op te geven; de staafjes nemen over, en staafjes brengen alleen helderheid. Daartussen ligt een lang mesopisch uur, dat stuk avond waarin de tuin nog leesbaar is maar de rode bloemen al vertrokken zijn.
Terwijl het licht zakt, schuift de piek van de gevoeligheid van zo'n 555 nanometer naar 507, van geelgroen naar blauwgroen, en daarom leest een geranium die om twaalf uur haar blauwe buur overstemde in de schemer bijna zwart, terwijl het blauw een restje helderheid houdt. De andere eigenaardigheid zit waar de staafjes ontbreken: precies in het midden van het netvlies zitten er geen, dus een vage ster verdwijnt als je er recht naar kijkt en komt terug als je je blik iets naast hem legt. Volledige aanpassing vraagt twintig minuten of meer, en één blik op de telefoon maakt ze allemaal op.
Een camera kent die grens niet. Hij blijft twintig seconden lang fotonen tellen, dus het blauw op een nachtfoto is gemeten en niet gezien: een kleur die in het tafereel aanwezig was maar niet beschikbaar voor wie erin stond. Op een scherm brengt het beeld zijn eigen licht mee en geeft stil terug wat het uur had achtergehouden.