Sterrensporen: een foto van de draaiende hemel
Vijftien graden per uur, opgeschreven als bogen.
Aan de hemel beweegt niets; het is de grond die draait. De aarde legt vijftien graden per uur af, dus een kwartier open sluiter tekent elke ster als een korte boog van nog geen vier graden, en een heel uur laat er een na die je met je duim kunt opmeten. Waar de lens naar wijst bepaalt de vorm: bij de pool trekken de bogen samen tot krappe cirkels rond een stilstaand punt, terwijl sterren boven de hemelevenaar lange, bijna rechte lijnen achterlaten.
De meeste van deze beelden zijn allang geen enkele zeer lange belichting meer. Eén opname van vier uur verzamelt de warmte van de sensor, en één vliegtuig dat erdoorheen trekt is genoeg om haar te bederven, dus schiet men een paar honderd opnamen van dertig seconden en stapelt ze achteraf. De naad valt op zodra de camera tussen twee opnamen even pauzeert: in plaats van doorlopende bogen ontstaan stippellijnen, en elk gat is de seconde die de sluiter dicht doorbracht.
Een ster uitsmeren betekent ook haar kleur uitspreiden, en zo komen de sporen getint tevoorschijn: oranje bij de koelere sterren, blauwwit bij de hete, verschillen die het oog in één lichtpunt niet vasthoudt. Op een scherm leest dit als een opvallend rustige beweging, want ze heeft al volledig plaatsgevonden; het beeld bewaart het verslag en niet de verplaatsing.