Zonnesterren en flare: de lens naar het licht gedraaid
De stralen rond een lage zon staan niet aan de hemel; ze hebben de vorm van het diafragma.
Met het diafragma wijd open is een lage zon niet meer dan een zachte vlek. Knijp dicht tot f/16 en diezelfde zon krijgt punten, omdat het licht buigt langs de randen van de diafragmalamellen en uitwaaiert tot stralen. Het aantal is geen geluk maar rekenwerk: een even aantal lamellen geeft evenveel stralen, een oneven aantal verdubbelt het, dus een lens met zeven lamellen levert er veertien.
Flare is de andere helft van de afspraak. Een deel van het licht gaat niet rechtdoor, maar kaatst tussen de glasoppervlakken binnenin en komt terug als een sliert bleke veelhoeken die schuin door het beeld loopt, elk opnieuw in de vorm van het diafragma. Een brede sluier van dwaallicht tilt de zwarten op en trekt er wat kleur uit, en daarom oogt een tegenlichtfoto bleek naast een opname met de zon in de rug.
Doorgaans temt men het door het grootste deel van de zon achter iets hards te verstoppen, een bergkam, een tak, de hoek van een gebouw, en er maar een reepje door te laten. Op een scherm verandert het effect nog een keer: die opgetilde zwarten, bij volle helderheid een warme waas, worden vlak en melkachtig zodra het paneel 's avonds gedimd wordt.