Schuim: waarom de zee wit wordt
Bij een brekende golf komt er niets bij. Het water houdt alleen op één ding te zijn en wordt miljoenen kleine.
Zeewater is min of meer doorzichtig, lucht ook, en toch is een gebroken golf het witste wat er aan de kust te vinden is. De kleur komt uit het aantal: de branding vouwt lucht in water tot er in een handvol miljoenen belwanden zitten, en elke wand buigt en kaatst een beetje licht een andere kant op. Geen golflengte wordt voorgetrokken, dus alles wat erin gaat komt gemengd terug, en het oog leest dat mengsel als wit. Gestampt ijs en sneeuw werken op dezelfde manier.
Zuiver water houdt dit niet vol. In schoon water knappen bellen vrijwel op het moment dat ze ontstaan; wat zeeschuim een paar seconden overeind houdt zijn de eiwitten en andere organische vliesjes die plankton achterlaat, die het oppervlak van elke bel net genoeg verstijven om een ogenblik daglicht te doorstaan. Daarom is het schuim het dikst in de seizoenen en de zeeën waar het water het levendigst is, en daarom hoopt het zich op in de hoeken van baaien in plaats van zich gelijkmatig te verdelen.
Op de foto draait alles om tijd. Bij een duizendste seconde blijft het schuim kant, met elke belrand heel; bij een halve seconde wordt hetzelfde water een glad doek over de rotsen; bij tien seconden lijkt de kust onder mist bedolven. Op een scherm bewaart het schuim de hoge lichten van het beeld, dus een zeegezicht tot achtergrond maken is vooral een beslissing over hoe fel dat wit mag zijn.