Recht naar beneden: waar de schaduwen zich verstoppen
Richt de camera op de grond en het beeld verliest zijn vloer, zijn lucht en de meeste schaduwen.
Een camera die loodrecht op de aarde staat, sluit een vreemde ruil. Hij levert de horizon in, en met de horizon verdwijnt elk gevoel voor boven en onder: een rivier leest als een wortelstelsel, een haven als een printplaat, een geploegde akker als een lap ribfluweel. Niets in het kader staat overeind, dus niets kan hoog zijn, en het oog, beroofd van een mens of een boom als maatstaf, begint het geheel als patroon te lezen.
Ook de schaduwen gedragen zich vanuit die hoek anders. Rond het middaguur staat de zon bijna recht boven en vouwt elk voorwerp zijn schaduw onder zichzelf, zodat een opname van boven op dat uur eerder getekend dan gefotografeerd lijkt. Kom twee uur later terug en elke kraan, palm en lantaarnpaal legt een donkere streep over de grond; die strepen zijn de laatste aanwijzing over hoogte. Luchtfotografen houden niet zonder reden van dat uur — de schaduw doet dienst als gevelaanzicht.
Wat dit gezichtspunt bewaart is kleur en rand: de lijn waar zand het water raakt, de plek waar een dak ophoudt en de straat begint. Daarom komen zulke beelden goed overeen met een bureaublad. Er is geen lucht die je node bedekt en geen hoofdpersoon die midden in beeld op eerbied wacht; een venster mag het halve scherm nemen, de foto loopt er rustig onderdoor.