Sneeuw in de lucht: stippen of strepen
Sneeuw valt traag genoeg om de sluiter te laten bepalen hoe ze eruitziet.
Een sneeuwvlok daalt met ongeveer een meter per seconde; een regendruppel valt zo'n negen keer sneller. Die traagheid maakt sneeuw tot het enige weer waarmee een camera kan onderhandelen. Bij 1/500 bevriest elke vlok tot een losse witte stip met een eigen rand, en de lucht tussen de stammen lijkt eerder gevuld met perforatorsnippers dan met weer.
Open de sluiter en de vlokken rekken uit. Rond 1/30 trekt elke vlok een kort streepje, bij een halve seconde vlechten de streepjes zich tot bleke draden en worden de takken erachter juist weer scherp, en na een paar seconden is de sneeuw opgelost in een grijze sluier die het oog als mist leest. De flitser vergist zich de andere kant op: een vlok op een handbreedte van de lens ligt ver buiten het scherptebereik en komt terug als een felwitte schijf, in het bestand groter dan de den waar ze langs viel.
Dan is er nog wat al dat zwevende water met afstand doet. Elke vlok tussen lens en verre bergkam kaatst een beetje licht terug, dus het contrast zakt met de diepte en het bos wijkt in grijze trappen achteruit, als coulissen. Op een scherm wordt dat verschil praktisch: scherpe witte stippen op een donkere ondergrond worden aangezien voor stof op het paneel of dode pixels, terwijl dezelfde sneeuwbui bij een tragere sluiter aankomt als textuur — stil genoeg om de namen onder de pictogrammen leesbaar te houden, en toch meteen winter.