Hittenevel: de middag waarop je de lucht kunt zien
Boven hete grond houdt de atmosfeer op onzichtbaar te zijn en gaat zich als water gedragen.
Op een weg om twee uur 's middags begint het verre einde van alles te trillen. Grond die tot vijftig graden is opgelopen verwarmt de eerste meter lucht erboven; die ijlere lucht buigt het licht iets minder dan de koelere laag erop, en de grens tussen beide schuift en vouwt als iets wat wordt uitgeschonken. De vrachtwagen in de verte verliest eerst zijn wielen, dan zijn omtrek, en zit ten slotte op een strook vals water die precies zo snel terugwijkt als jij loopt.
Voor de fotograaf komt dit binnen als een gebrek. Een lange lens perst honderden meters trillende lucht in één beeld, waardoor de bergkam zacht aankomt hoe zorgvuldig er ook is scherpgesteld, en geen diafragma redt hem. Het gebruikelijke antwoord is vroeg werken, voordat de bodem vier uur de tijd heeft gehad om de lucht op te laden, of de verte laten varen en dichtbij blijven, waar tussen onderwerp en sensor te weinig atmosfeer overblijft om te storen.
Soms is het gebrek het bewaren waard. Een telelens die aan het eind van de dag over een opgewarmde vlakte kijkt, verandert een rij bomen in nog natte verf: de randen smelten de horizon in terwijl de kleur eerlijk blijft, en een stilstaand beeld draagt ineens een temperatuur. Op het scherm leest die zachtheid als diepte en niet als fout, en daarom lijkt een kromgetrokken horizon achter scherpe pictogrammen minder op een bewogen foto dan op een hete dag die iemand verkeerd heeft onthouden.