De stad verwisselde haar lampen: de nacht ging van oranje naar wit
Natriumlampen gaven elke straat één kleur om mee te werken; leds gaven alle andere terug.
Een natriumlamp straalt vrijwel op één golflengte, een smal geel rond 589 nanometer, en daarom lijken een rode en een groene auto eronder twee tinten van hetzelfde bruin. Foto's uit die jaren dragen een kleurzweem die geen witbalans ooit helemaal wegkreeg, want in dat licht was niets anders aanwezig om tegen af te wegen. Steden hielden van die lamp om het verbruik en om hoe ze door mist droeg, en niemand hoefde na te denken over het schilderij dat er ondertussen ontstond.
De opvolger werkt op vierduizend kelvin met een breed spectrum, dus diezelfde auto's zijn weer rood en groen, baksteen leest warm, blad leest als blad. Wat met die eerlijkheid meekomt is contrast: de optiek van een led snijdt een plas licht met een schone rand en laat de ruimte erbuiten wegvallen, zodat een straat die vroeger gelijkmatig amberkleurig was nu afwisselt tussen verlicht en werkelijk donker. De ramen boven de rijbaan hielden op met de gloed te concurreren en werden leesbaar.
Voor nachtfoto's veranderde daarmee eerder de werkwijze dan de belichting. Wit licht laat je de kleur houden die je zag, maar het straft een lange sluitertijd af: de heldere plassen branden uit terwijl de tussenruimtes leeg blijven, en de oude truc om alles oranje te laten houdt het beeld niet langer bijeen. Op een scherm is het verschil zo aangewezen: een amberkleurige straat leest als herinnering, een witte als vanavond, en dezelfde hoek hoort bij twee verschillende decennia, afhankelijk van welke lamp erboven stond.