De boog tegenover de zon
Een regenboog heeft een vast adres: tweeënveertig graden naar buiten vanaf de schaduw van je eigen hoofd.
Ga met de zon in je rug staan en de boog ligt gecentreerd op het punt er recht tegenover, hetzelfde punt dat de schaduw van je hoofd op de grond aanwijst. Rood zit ongeveer tweeënveertig graden buiten dat middelpunt, violet ongeveer veertig, en elke kleur ertussen krijgt zijn eigen ring. Daarom wijkt de boog terug als je ernaartoe loopt, en daarom kijken twee mensen nooit helemaal naar dezelfde.
De tweede boog, als hij verschijnt, is bleker en omgekeerd, rood aan de binnenkant, omdat het licht in elke druppel twee keer weerkaatste in plaats van één keer en onderweg kracht verloor. Ertussen blijft een duidelijk donkerdere band hemel staan, de donkere band van Alexander, waar de druppels onder die hoek vrijwel niets naar het oog terugsturen. Een lage zon tilt de boog op, de middagzon duwt hem volledig onder de horizon, en daarom komen de mooie exemplaren laat in de middag, als een bui zich net terugtrekt.
Op een foto zijn de kleuren zachter dan het geheugen belooft, en verzadiging opdraaien om dat goed te maken sloopt meestal eerst de lucht eromheen. Het helpt dat een boog regen vóór en helder licht áchter zich verlangt, zodat het decor al staat. Op een scherm is het een van de weinige onderwerpen die zich als gebeurtenis laten lezen in plaats van als plek: goed gezelschap op een werkdag, minder geschikt als achtergrond die je wilde vergeten.