Je eigen foto als achtergrond: wat je controleert voordat je hem instelt
Een telefoonfoto die in de galerij prima oogt, kan op bureaubladformaat uit elkaar vallen, en een paar rustige controles verraden dat meestal vooraf.
De meeste telefoons slaan foto's op in 4:3, terwijl de meeste bureaubladschermen 16:9 of 16:10 zijn. Een 4:3-beeld een 16:9-scherm laten vullen betekent dat ongeveer een kwart van de hoogte wegvalt, meestal boven en onder, precies waar de lucht en de voorgrond zitten. Het loont om de foto zelf op de vorm van het scherm bij te snijden en te kiezen wat blijft, in plaats van het systeem dwars door een voorhoofd of een bergtop te laten snijden.
Het aantal pixels doet minder ter zake dan vaak wordt gedacht. Een foto van 12 megapixel is ongeveer 4000 bij 3000 pixels en houdt na een bijsnijding naar 16:9 nog 4000 bij 2250 over, nog altijd meer dan een 4K-scherm nodig heeft. Wat een eigen foto veel vaker bederft, zijn ruis en uitgesmeerde details van nachtopnamen en digitale zoom, onzichtbaar op een scherm van zes inch en overduidelijk op zevenentwintig inch. Open de foto op 100 procent en kijk naar een vlak stuk, een muur of een plek lucht; lijkt het daar al op natte aquarel, dan ziet het er achter je pictogrammen net zo uit.
Twee kleinere dingen zijn makkelijk te missen. Een horizon die een of twee graden scheef staat, wordt op een telefoon vergeven, maar uitgerekt over een brede monitor leest hij als een helling, en rechtzetten kost slechts een dun randje. En een foto met veel detail aan de linkerkant belandt onder de kolom bureaubladpictogrammen. De beelden die het best op hun plek vallen, hebben meestal een stille helft, lucht, water, een gewone muur, zodat het scherm een plek heeft om dingen neer te leggen. Een goede foto en een goede achtergrond overlappen elkaar flink, maar niet helemaal.